Informatie over het woord strijken (Nederlands → Esperanto: mallevi)

Uitspraak/ˈstrɛɪ̯kə(n)/
Afbrekingstrij·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) strijk(ik) streek
(jij) strijkt(jij) streek
(hij) strijkt(hij) streek
(wij) strijken(wij) streken
(gij) strijkt(gij) streekt
(zij) strijken(zij) streken
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) strijke(dat ik) streke
(dat jij) strijke(dat jij) streke
(dat hij) strijke(dat hij) streke
(dat wij) strijken(dat wij) streken
(dat gij) strijket(dat gij) streket
(dat zij) strijken(dat zij) streken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
strijkstrijkt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
strijkend, strijkende(hebben) gestreken

Vertalingen

Afrikaanslaat sak
Duitssenken
Engelslower
Esperantomallevi
Fransabaisser; baisser
Hongaarsleenged
Italiaansabbassare
Saterfriesdeelläite; strieke