Informatie over het woord losrijgen (Nederlands → Esperanto: mallaĉi)

Uitspraak/ˈlɔsrɛɪ̯ɣə(n)/
Afbrekinglos·rij·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) losrijg (ik) losreeg
(jij) losrijgt (jij) losreeg
(hij) losrijgt (hij) losreeg
(wij) losrijgen (wij) losregen
(gij) losrijgt (gij) losreegt
(zij) losrijgen (zij) losregen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) losrijge(dat ik) losrege
(dat jij) losrijge(dat jij) losrege
(dat hij) losrijge(dat hij) losrege
(dat wij) losrijgen(dat wij) losregen
(dat gij) losrijget(dat gij) losreget
(dat zij) losrijgen(dat zij) losregen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
rijg losrijgt los
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
losrijgend, losrijgende(hebben) losgeregen

Vertalingen

Esperantomallaĉi