Informatie over het woord geben (Duits → Esperanto: fari)

Uitspraak/ˈɡeːbən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) gebe(ich) gab
(du) gibst(du) gabst
(er) gibt(er) gab
(wir) geben(wir) gaben
(ihr) gebt(ihr) gabt
(sie) geben(sie) gaben
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) gebe(ich) gäbe
(du) gebest(du) gäbest
(er) gebe(er) gäbe
(wir) geben(wir) gäben
(ihr) gebet(ihr) gäbet
(sie) geben(sie) gäben
Gebiedende wijs
(du) gib
(ihr) gebt
geben Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
gebend(haben) gegeben

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Engelsperform
Engels (Oudengels)macian; don
Esperantofari
Faeröersgera
Finstehdä
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Hawaiaanshana
Hongaarsesinál; tesz
IJslandsgera
Italiaanscommettere; fare
Jiddischמאַכן
Latijnfacere
Luxemburgsmaachen; doen
Maleisbuat; membuat
Nederlandsaanmaken; bedrijven; begaan; afleggen; doen; maken; plegen; stellen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren; verrichten; vervaardigen
Noorsgjøre
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Schots-Gaelischdèan
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra