Informatie over het woord schließen (Duits → Esperanto: fari)

Uitspraak/ˈʃliːsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schließe(ich) schloß
(du) schließt(du) schlossest, schloßt
(er) schließt(er) schloß
(wir) schließen(wir) schlossen
(ihr) schließt(ihr) schloßt
(sie) schließen(sie) schlossen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) schließe(ich) schlösse
(du) schließest(du) schlössest
(er) schließe(er) schlösse
(wir) schließen(wir) schlössen
(ihr) schließet(ihr) schlösset
(sie) schließen(sie) schlössen
Gebiedende wijs
(du) schließe
(ihr) schließt
schließen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schließend(haben) geschlossen

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Engelsact; carry out; commit; do; form; make; perform; reach; render; work
Engels (Oudengels)macian; don
Esperantofari
Faeröersgera
Finstehdä
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Hawaiaanshana
Hongaarsesinál; tesz
IJslandsgera
Italiaanscommettere; fare
Jiddischמאַכן
Latijnfacere
Luxemburgsmaachen; doen
Maleisbuat; membuat
Nederlandsaanmaken; bedrijven; begaan; afleggen; doen; maken; plegen; stellen; uitbrengen; uitrichten; uitvoeren; verrichten; vervaardigen; uithalen
Noorsgjøre
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Schots-Gaelischdèan
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra