Informatie over het woord afzetten (Nederlands → Esperanto: malfunkciigi)

Uitspraak/ɑfsɛtə(n)/
Afbrekingaf·zet·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zet af(ik) zette af
(jij) zet af(jij) zette af
(hij) zet af(hij) zette af
(wij) zetten af(wij) zetten af
(gij) zet af(gij) zettet af
(zij) zetten af(zij) zetten af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afzette(dat ik) afzette
(dat jij) afzette(dat jij) afzette
(dat hij) afzette(dat hij) afzette
(dat wij) afzetten(dat wij) afzetten
(dat gij) afzettet(dat gij) afzettet
(dat zij) afzetten(dat zij) afzetten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zet afzet af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afzettend, afzettende(hebben) afgezet

Voorbeelden van gebruik

Toen zette hij de motor af en werd het doodstil op het weggetje.

Vertalingen

Afrikaansafsit
Duitsabstellen; außer Betrieb setzen
Engelsshut off; stop; switch off; turn off
Esperantomalfunkciigi
Saterfriesoustaale
Spaansparar
Tsjechischzastavit