Informatie over het woord afwijzen (Nederlands → Esperanto: malakcepti)

Uitspraak/ˈɑfʋɛɪ̯zə(n)/
Afbrekingaf·wij·zen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) wijs af(ik) wees af
(jij) wijst af(jij) wees af
(hij) wijst af(hij) wees af
(wij) wijzen af(wij) wezen af
(gij) wijst af(gij) weest af
(zij) wijzen af(zij) wezen af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afwijze(dat ik) afweze
(dat jij) afwijze(dat jij) afweze
(dat hij) afwijze(dat hij) afweze
(dat wij) afwijzen(dat wij) afwezen
(dat gij) afwijzet(dat gij) afwezet
(dat zij) afwijzen(dat zij) afwezen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
wijs afwijst af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afwijzend, afwijzende(hebben) afgewezen

Vertalingen

Afrikaansafslaan; afwimpel; afwys; bedank; verwerp
Catalaansrefusar
Deensafslå; afvise; sige nej tak til
Duitsablehnen; abweisen; ausmerzen; ausschlagen
Engelsdisallow; dismiss; reject; decline
Esperantomalakcepti
Fransrefuser; rejeter; repousser
IJslandsafþakka
Italiaansrifiutare
Noorstakke nei til
Portugeesrecusar; rejeitar
Saterfriesfersmiete; ouwiese; ouwimmelje
Spaansrechazar; rehusar; suspender
Westerlauwers Friesôfkitse; ôfslaan; ôfstegerje; ôfwize
Zweedstacka nej till