Informatie over het woord afslaan (Nederlands → Esperanto: malakcepti)

Uitspraak/ˈɑfslan/
Afbrekingaf·slaan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sla af(ik) sloeg af
(jij) slaat af(jij) sloeg af
(hij) slaat af(hij) sloeg af
(wij) slaan af(wij) sloegen af
(gij) slaat af(gij) sloegt af
(zij) slaan af(zij) sloegen af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afsla(dat ik) afsloege
(dat jij) afsla(dat jij) afsloege
(dat hij) afsla(dat hij) afsloege
(dat wij) afslaan(dat wij) afsloegen
(dat gij) afslaat(dat gij) afsloeget
(dat zij) afslaan(dat zij) afsloegen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sla afslaat af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afslaand, afslaande(hebben) afgeslagen

Voorbeelden van gebruik

Hij wilde gaan, maar sloeg de uitnodiging in eerste instantie af.

Vertalingen

Afrikaansafslaan; afwimpel; afwys; bedank; verwerp
Catalaansrefusar
Deensafslå; afvise; sige nej tak til
Duitsablehnen; abweisen; ausmerzen; ausschlagen
Engelsreject; decline
Esperantomalakcepti
Fransrefuser; rejeter; repousser
IJslandsafþakka
Italiaansrifiutare
Noorstakke nei til
Portugeesrecusar; rejeitar
Saterfriesfersmiete; ouwiese; ouwimmelje
Spaansrechazar; rehusar; suspender
Westerlauwers Friesôfkitse; ôfslaan; ôfstegerje; ôfwize
Zweedstacka nej till