Information about the word vastmaken (Dutch → Esperanto: ligi)

Pronunciation/ˈvɑstmakə(n)/
Hyphenationvast·ma·ken
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) maak vast(ik) maakte vast
(jij) maakt vast(jij) maakte vast
(hij) maakt vast(hij) maakte vast
(wij) maken vast(wij) maakten vast
(gij) maakt vast(gij) maaktet vast
(zij) maken vast(zij) maakten vast
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) vastmake(dat ik) vastmaakte
(dat jij) vastmake(dat jij) vastmaakte
(dat hij) vastmake(dat hij) vastmaakte
(dat wij) vastmaken(dat wij) vastmaakten
(dat gij) vastmaket(dat gij) vastmaaktet
(dat zij) vastmaken(dat zij) vastmaakten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
maak vastmaakt vast
Participles
Present participlePast participle
vastmakend, vastmakende(hebben) vastgemaakt

Usage samples

Hij steeg weer af en liet het paard grazen, na het goed te hebben vastgemaakt.

Translations

Afrikaansbind; vasbind
Catalanlligar
Czechpřipojit; sloučit; spojit; spojovat; svázat; vázat; zavázat
Danishbinde
Englishfasten; tie; belay
English (Old English)bindan
Esperantoligi
Faeroesebinda
Finnishsitoa
Frenchattacher; nouer; relier
Germanbinden; verbinden
Italianlegare
Latinligare
Luxemburgishbannen
Malayikat; mengikat
Norwegianbinde; knyte
Polishłączyć; wiązać
Portugueseamarrar; atar; ligar
Russianвязать; связывать
Saterland Frisianbiende; ferbiende
Scottish Gaelicceangail
Spanishatar; ligar
Sranantay
Swedishbinda; snöra
Thaiต่อ; ผูก
Turkishbağlamak
West Frisianferbine; bine
Yiddishבינדן