Informatie over het woord wassen (Nederlands → Esperanto: leviĝi)

Uitspraak/ˈʋɑsə(n)/
Afbrekingwas·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) was(ik) waste, wies
(jij) wast(jij) waste, wies
(hij) wast(hij) waste, wies
(wij) wassen(wij) wasten, wiesen
(gij) wast(gij) wastet, wiest
(zij) wassen(zij) wasten, wiesen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) wasse(dat ik) waste, wiese
(dat jij) wasse(dat jij) waste, wiese
(dat hij) wasse(dat hij) waste, wiese
(dat wij) wassen(dat wij) wasten, wiesen
(dat gij) wasset(dat gij) wastet, wieset
(dat zij) wassen(dat zij) wasten, wiesen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
wassend, wassende(zijn) gewassen

Vertalingen

Afrikaansopstaan; styg; opkom
Duitsaufgehen; sich erheben; steigen; ragen
Engelsarise; ascend; get up; go up; rise; come up
Esperantoleviĝi
Fransse soulever
Italiaanssalire
Papiamentssubi
Portugeeslevantar‐se
Roemeensrăsări
Saterfriesapgunge; stiege
Schots-Gaelischéirich
Spaanssubir
Thaisขึ้น
Tsjechischstoupat; vzrůstat
Westerlauwers Friesoprize; stige