Informatie over het woord opstaan (Nederlands → Esperanto: leviĝi)

Uitspraak/ˈɔpstan/
Afbrekingop·staan
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sta op(ik) stond op
(jij) staat op(jij) stond op
(hij) staat op(hij) stond op
(wij) staan op(wij) stonden op
(gij) staat op(gij) stondt op
(zij) staan op(zij) stonden op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opgestaan(dat ik) opstonde
(dat jij) opgestaan(dat jij) opstonde
(dat hij) opgestaan(dat hij) opstonde
(dat wij) opstaan(dat wij) opstonden
(dat gij) opstaat(dat gij) opstondet
(dat zij) opstaan(dat zij) opstonden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sta opstaat op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opstaand, opstaande(zijn) opgestaan

Vertalingen

Afrikaansopstaan; styg; opkom
Duitsaufgehen; sich erheben; steigen; ragen
Engelsarise; get up; rise
Esperantoleviĝi
Fransse soulever
Italiaanssalire
Papiamentssubi
Portugeeslevantar‐se
Roemeensrăsări
Saterfriesapgunge; stiege
Schots-Gaelischéirich
Spaanssubir
Thaisขึ้น
Tsjechischstoupat; vzrůstat
Westerlauwers Friesoprize; stige