Informatie over het woord opkomen (Nederlands → Esperanto: leviĝi)

Uitspraak/ˈɔpkomə(n)/
Afbrekingop·ko·men
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) opkom(ik) opkwam
(jij) opkomt(jij) opkwam
(hij) opkomt(hij) opkwam
(wij) opkomen(wij) opkwamen
(gij) opkomt(gij) opkwaamt
(zij) opkomen(zij) opkwamen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opkome(dat ik) opkwame
(dat jij) opkome(dat jij) opkwame
(dat hij) opkome(dat hij) opkwame
(dat wij) opkomen(dat wij) opkwamen
(dat gij) opkomet(dat gij) opkwamet
(dat zij) opkomen(dat zij) opkwamen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
kom opkom opt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opkomend, opkomende(zijn) opgekomen

Voorbeelden van gebruik

Weldra zal de zon opkomen.
De maan was ondertussen opgekomen boven de oostelijke heuvelkammen.
De volgende dag kon de zon voor het ongeduldig wachtende publiek niet vroeg genoeg opkomen.

Vertalingen

Afrikaansopstaan; styg; opkom
Duitsaufgehen; sich erheben; steigen; ragen
Engelsarise; get up; rise; come up
Esperantoleviĝi
Fransse soulever
Italiaanssalire
Papiamentssubi
Portugeeslevantar‐se
Roemeensrăsări
Saterfriesapgunge; stiege
Schots-Gaelischéirich
Spaanssubir
Thaisขึ้น
Tsjechischstoupat; vzrůstat
Westerlauwers Friesoprize; stige