Informatie over het woord leren (Nederlands → Esperanto: lernigi)

Uitspraak/ˈlerə(n)/
Afbrekingle·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) leer(ik) leerde
(jij) leert(jij) leerde
(hij) leert(hij) leerde
(wij) leren(wij) leerden
(gij) leert(gij) leerdet
(zij) leren(zij) leerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) lere(dat ik) leerde
(dat jij) lere(dat jij) leerde
(dat hij) lere(dat hij) leerde
(dat wij) leren(dat wij) leerden
(dat gij) leret(dat gij) leerdet
(dat zij) leren(dat zij) leerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
leerleert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
lerend, lerende(hebben) geleerd

Voorbeelden van gebruik

En wat is de les, zo vraag ik u, die dit alles ons geleerd heeft?
Maar ik zou je toch veel kunnen leren.
Dat heeft mijn vader mij geleerd en daar houd ik mij aan.
En zou je me dan magie leren?
Hij herinnerde zich het rijm dat Tom hem had geleerd.

Vertalingen

Afrikaansleer
Duitsbeibringen; lehren
Engelsteach
Esperantolernigi
Fransapprendre; enseigner
Latijndocere
Spaansenseñar
Srananleri
Thaisสอน
Welsdysgu
Westerlauwers Friesleare