Informatie over het woord schoonwassen (Nederlands → Esperanto: lavpurigi)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) was schoon(ik) waste schoon
(jij) wast schoon(jij) waste schoon
(hij) wast schoon(hij) waste schoon
(wij) wassen schoon(wij) wasten schoon
(gij) wast schoon(gij) wastet schoon
(zij) wassen schoon(zij) wasten schoon
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schoonwasse(dat ik) schoonwaste
(dat jij) schoonwasse(dat jij) schoonwaste
(dat hij) schoonwasse(dat hij) schoonwaste
(dat wij) schoonwassen(dat wij) schoonwasten
(dat gij) schoonwasset(dat gij) schoonwastet
(dat zij) schoonwassen(dat zij) schoonwasten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
was schoonwast schoon
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schoonwassend, schoonwassende(hebben) schoongewassen

Vertalingen

Deensskylle
Esperantolavpurigi
Westerlauwers Friesôfwaskje