Informatie over het woord vastbinden (Nederlands → Esperanto: alligi)

Uitspraak/ˈvɑzdbɪndə(n)/
Afbrekingvast·bin·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bind vast(ik) bond vast
(jij) bindt vast(jij) bond vast
(hij) bindt vast(hij) bond vast
(wij) binden vast(wij) bonden vast
(gij) bindt vast(gij) bondt vast
(zij) binden vast(zij) bonden vast
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) vastbinde(dat ik) vastbonde
(dat jij) vastbinde(dat jij) vastbonde
(dat hij) vastbinde(dat hij) vastbonde
(dat wij) vastbinden(dat wij) vastbonden
(dat gij) vastbindet(dat gij) vastbondet
(dat zij) vastbinden(dat zij) vastbonden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bind vastbindt vast
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
vastbindend, vastbindende(hebben) vastgebonden

Voorbeelden van gebruik

Wij bonden onze paarden vast en gingen zitten, in afwachting van de duisternis.

Vertalingen

Afrikaansaanbind
Duitsanschließen
Engelsfasten; tether; tie
Esperantoalligi
Fransattacher; lier
Noorsfortøye
Saterfriesansluute; befäästigje; fäästbiende; fäästmoakje; feronkerje; seelje