Information about the word aanzetten (Dutch → Esperanto: alkudri)

Pronunciation/ˈanzɛtə(n)/
Hyphenationaan·zet·ten
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) zet aan(ik) zette aan
(jij) zet aan(jij) zette aan
(hij) zet aan(hij) zette aan
(wij) zetten aan(wij) zetten aan
(gij) zet aan(gij) zettet aan
(zij) zetten aan(zij) zetten aan
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) aanzette(dat ik) aanzette
(dat jij) aanzette(dat jij) aanzette
(dat hij) aanzette(dat hij) aanzette
(dat wij) aanzetten(dat wij) aanzetten
(dat gij) aanzettet(dat gij) aanzettet
(dat zij) aanzetten(dat zij) aanzetten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
zet aanzet aan
Participles
Present participlePast participle
aanzettend, aanzettende(hebben) aangezet

Translations

Englishsew on
Esperantoalkudri
Germanheften; annähen
Saterland Frisianansäie; hächtje; häftje
Spanishpegar