Informatie over het woord sussen (Nederlands → Esperanto: kvietigi)

Uitspraak/ˈsɵsə(n)/
Afbrekingsus·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sus(ik) suste
(jij) sust(jij) suste
(hij) sust(hij) suste
(wij) sussen(wij) susten
(gij) sust(gij) sustet
(zij) sussen(zij) susten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) susse(dat ik) suste
(dat jij) susse(dat jij) suste
(dat hij) susse(dat hij) suste
(dat wij) sussen(dat wij) susten
(dat gij) susset(dat gij) sustet
(dat zij) sussen(dat zij) susten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sussust
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
sussend, sussende(hebben) gesust

Voorbeelden van gebruik

Wees zo goed deze dames te sussen.
Noord‐Korea heeft de uitnodiging van Zuid‐Korea voor overleg om hun hoogopgelopen ruzie te sussen zondag van tafel geveegd.
„Ik vind werkelijk het plan van meneer Poirot uitstekend”, bracht de dokter sussend in het midden.

Vertalingen

Duitsbesänftigen; dämpfen; züchtigen; beruhigen; lindern
Engelsappease; soothe
Esperantokvietigi
Fransapaiser; pacifier
Hongaarsmegnyugtat; nyugtat
Italiaanscalmare; pacificare; placare