Informatie over het woord roepen (Nederlands → Esperanto: krii)

Uitspraak/ˈrupə(n)/
Afbrekingroe·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) roep(ik) riep
(jij) roept(jij) riep
(hij) roept(hij) riep
(wij) roepen(wij) riepen
(gij) roept(gij) riept
(zij) roepen(zij) riepen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) roepe(dat ik) riepe
(dat jij) roepe(dat jij) riepe
(dat hij) roepe(dat hij) riepe
(dat wij) roepen(dat wij) riepen
(dat gij) roepet(dat gij) riepet
(dat zij) roepen(dat zij) riepen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
roeproept
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
roepend, roepende(hebben) geroepen

Voorbeelden van gebruik

„Wie is daar?” riep de wachter.
„Praat ik zo?” riep heer Ollie ontsteld.

Vertalingen

Afrikaansskreeu
Catalaanscridar
Deensskrige
Duitsschreien; rufen
Engelscall; cry; shout
Esperantokrii
Faeröersskríggja
Finshuutaa
Franscrier
Italiaansgridare
Latijnboare
Noorsskrike
Papiamentsgrita
Portugeesberrar; bradar; gritar
Saterfriesbroaskje; galpje; gilpe; gülpe; kriete; schräiwe; schreeuwe; skräiwe; skreeuwe
Spaansgritar
Srananbari
Thaisร้อง
Tsjechischkřičet; řvát; volat; vřískat
Turksbağırmak
Westerlauwers Friesskreauwe; roppe
Zweedshojta; skria; skrika; skråla