Informatie over het woord aanwassen (Nederlands → Esperanto: kreski)

Uitspraak/ˈanʋɑsə(n)/
Afbrekingaan·was·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) was aan(ik) waste aan, wies aan
(jij) wast aan(jij) waste aan, wies aan
(hij) wast aan(hij) waste aan, wies aan
(wij) wassen aan(wij) wasten aan, wiesen aan
(gij) wast aan(gij) wastet aan, wiest aan
(zij) wassen aan(zij) wasten aan, wiesen aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aanwasse(dat ik) aanwaste, aanwiese
(dat jij) aanwasse(dat jij) aanwaste, aanwiese
(dat hij) aanwasse(dat hij) aanwaste, aanwiese
(dat wij) aanwassen(dat wij) aanwasten, aanwiesen
(dat gij) aanwasset(dat gij) aanwastet, aanwieset
(dat zij) aanwassen(dat zij) aanwasten, aanwiesen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
was aanwast aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanwassend, aanwassende(zijn) aangewassen

Vertalingen

Afrikaansgroei
Catalaanscrèixer
Deensvokse
Duitsanwachsen; gedeihen; wachsen; anschwellen; dicker werden; emporwachsen; größer werden; höher werden; länger werden; sich entwickeln; stehen; steigen; um sich greifen; zunehmen
Engelsgrow
Engels (Oudengels)growan; weaxan
Esperantokreski
Faeröersvaksa
Finskasvaa
Fransaugmenter; croître; grandir; s’accroître
Hongaars
IJslandsvaxa
Italiaanscrescere
Latijnaccrescere; adolescere; crescere
Noorsvokse
Papiamentskrese
Poolsrosnąć; róść
Portugeesaumentar; avultar; crescer
Russischрасти
Saterfriesdäie; groie; tiegje
Schots-Gaelischfàs
Spaanscrecer
Sranangro
Tsjechischrůst; přibývat; narůstat; vyrůstat; vzrůstat
Turksyetişkin
Westerlauwers Friesoangroeie; oanwaakse; waakse
Zweedsgro; växa