Informatie over het woord bedekken (Nederlands → Esperanto: kovri)

Uitspraak/bəˈdɛkə(n)/
Afbrekingbe·dek·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bedek(ik) bedekte
(jij) bedekt(jij) bedekte
(hij) bedekt(hij) bedekte
(wij) bedekken(wij) bedekten
(gij) bedekt(gij) bedektet
(zij) bedekken(zij) bedekten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) bedekke(dat ik) bedekte
(dat jij) bedekke(dat jij) bedekte
(dat hij) bedekke(dat hij) bedekte
(dat wij) bedekken(dat wij) bedekten
(dat gij) bedekket(dat gij) bedektet
(dat zij) bedekken(dat zij) bedekten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bedekbedekt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bedekkend, bedekkende(hebben) bedekt

Voorbeelden van gebruik

Het terrein was bedekt met de installaties die voor de winning en verwerking van aardolie nodig zijn.
Het wiel bedekte de hand bijna geheel.
De oceanen bedekken 71% van het aardoppervlak.

Vertalingen

Afrikaansbedek; belê; beleg; dek
Albaneesmbuloj
Catalaanscobrir; tapar
Deensdække
Duitsbedecken; belegen; decken; einhüllen; abdecken; verhüllen; zudecken; abhandeln; ausführlich behandeln; sich ausdehnen; sich erstrecken; überdecken; überhäufen; überschütten; übertönen; überziehen; umfassen; verdecken; zurücklegen
Engelscover
Esperantokovri
Faeröersfjala; hylja
Finspeittää
Franscouvrir; recouvrir
IJslandsþekja; hylja
Italiaanscoprire
Latijnoperire; tegere
Luxemburgsbedecken
Papiamentskubri
Portugeesacobertar; cobrir; revestir
Roemeensacoperi
Saterfriesbedäkke; belääse; däkke; ferhülje; ienhülje; toudäkke
Spaanscubrir; tapar
Sranantapu
Westerlauwers Friesbedekke; dekke
Zweedsbetäcka; hölja; skyla; täcka; övertäcka