Information über das Wort construeren (Niederländisch → Esperanto: konstrui)

Aussprache/kɔnstryˈʋerə(n)/
Trennungcon·stru·e·ren
WortartVerb

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) construeer(ik) construeerde
(jij) construeert(jij) construeerde
(hij) construeert(hij) construeerde
(wij) construeren(wij) construeerden
(gij) construeert(gij) construeerdet
(zij) construeren(zij) construeerden
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) construere(dat ik) construeerde
(dat jij) construere(dat jij) construeerde
(dat hij) construere(dat hij) construeerde
(dat wij) construeren(dat wij) construeerden
(dat gij) construeret(dat gij) construeerdet
(dat zij) construeren(dat zij) construeerden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
construeerconstrueert
Partizipien
Erstes PartizipZweites Partizip
construerend, construerende(hebben) geconstrueerd

Gebrauchsbeispiele

De robot was ook tamelijk nieuw, maar hoewel hij schitterend geconstrueerd en gepoetst was, leek het toch alsof de diverse delen van zijn min of meer menselijke uiterlijk niet goed in elkaar pasten.
Hoe kan men het instelpunt construeren?

Übersetzungen

Afrikaansbou
Albanischkonstruktoj
Dänischbygge; konstruere
Deutschaufbauen; bauen; erbauen; konstruieren; anlegen; bauen lassen; errichten
Englischconstruct
Englisch (Altenglisch)atimbran; getimbran
Esperantokonstrui
Färöerischbyggja; gera; smíða
Finnischrakentaa
Französischbâtir; construire; poser
Isländischbyggja; smíða
Italienischcostruire
Katalanischconstruir
Lateinedificare
Luxemburgischbauen
Norwegischbygge
Papiamentokonstruí; traha
Polnischbudować
Portugiesischconstruir; edificar; erigir
Rumänischconstrui; înălța
Russischвозводить
Saterfriesischapbaue; baue; konstruierje
Schwedischbygga
Spanischconstruir; edificar; redactar
Srananbow
Thaiก่อ; สร้าง
Ungarischépít
Westfriesischkonstruearje