Informatie over het woord troosten (Nederlands → Esperanto: konsoli)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈtrostə/
Afbrekingtroos·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) troost(ik) troostte
(jij) troost(jij) troostte
(hij) troost(hij) troostte
(wij) troosten(wij) troostten
(gij) troost(gij) troosttet
(zij) troosten(zij) troostten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) trooste(dat ik) troostte
(dat jij) trooste(dat jij) troostte
(dat hij) trooste(dat hij) troostte
(dat wij) troosten(dat wij) troostten
(dat gij) troostet(dat gij) troosttet
(dat zij) troosten(dat zij) troostten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
troosttroost
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
troostend, troostende(hebben) getroost

Voorbeelden van gebruik

„Maar het had erger kunnen zijn”, troostte hij zichzelf.

Vertalingen

Afrikaanstroos
Catalaansconsolar
Deenstrøste
Duitströsten; Trost spenden
Engelscomfort; console
Esperantokonsoli
Faeröersugga
Finslohduttaa
Fransconsoler
IJslandshugga
Italiaansconsolare
Noorstrøste
Papiamentskonsolá
Portugeesaliviar; consolar
Saterfriestraaste; Traast spändje
Spaansconsolar
Turksavunmak; avutmak
Westerlauwers Friestreastgje
Zweedströsta