Informatie over het woord müssen (Duits → Esperanto: devi)

Uitspraak/ˈmʏsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) muß(ich) mußte
(du) mußt(du) mußtest
(er) muß(er) mußte
(wir) müssen(wir) mußten
(ihr) müßt(ihr) mußtet
(sie) müssen(sie) mußten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) müsse(ich) müßte
(du) müssest(du) müßtest
(er) müsse(er) müßte
(wir) müssen(wir) müßten
(ihr) müsset(ihr) müßtet
(sie) müssen(sie) müßten
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
müssend(haben) gemußt

Voorbeelden van gebruik

Jetzt müssen Sie erst einmal etwas essen und sich noch weiter ausruhen.
Es gab so vieles, was er wissen mußte.

Vertalingen

Afrikaansbehoor; moet
Berbersssefk (ⵙⵙⴻⴼⴽ)
Catalaanshaver de
Deensmåtte; skulle
Engelshave to; must; need; should
Engels (Oudengels)sculan
Esperantodevi
Faeröersnoyðast; skula
Finstäytyä
Fransavoir à; devoir; être obligé
Hongaarskell; kötelező; muszáj
Luxemburgsmissen
Maleisharus
Nederlandsbehoren; dienen; horen; moeten; zullen; hebben
Papiamentsmester
Poolsmusieć
Portugeesdever; ter a obrigação; ter de; ter que
Russisch<должен>
Saterfriesmoute; schälle; skälle
Spaansdeber; tener que
Srananmusu
Thaisควร; ต้อง; พึง
Westerlauwers Friesmoatte
Zweedsböra; må; måste