Informatie over het woord stichten (Nederlands → Esperanto: kaŭzi)

Uitspraak/ˈstɪxtə(n)/
Afbrekingstich·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sticht(ik) stichtte
(jij) sticht(jij) stichtte
(hij) sticht(hij) stichtte
(wij) stichten(wij) stichtten
(gij) sticht(gij) stichttet
(zij) stichten(zij) stichtten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) stichte(dat ik) stichtte
(dat jij) stichte(dat jij) stichtte
(dat hij) stichte(dat hij) stichtte
(dat wij) stichten(dat wij) stichtten
(dat gij) stichtet(dat gij) stichttet
(dat zij) stichten(dat zij) stichtten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
stichtsticht
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
stichtend, stichtende(hebben) gesticht

Voorbeelden van gebruik

De brand is dus gesticht?

Vertalingen

Afrikaansaandoen; berokken; veroorsaak
Catalaanscausar
Duitsantun; bereiten; bewirken; veranlassen; verursachen; zufügen; mit sich bringen; zur Folge haben
Engelscause; give rise to; inflict; pose; provoke; result in; wreak
Engels (Oudengels)gedon
Esperantokaŭzi
Faeröersgera; orsaka
Franscauser; déterminer; entraîner des conséquences; procurer
IJslandsorsaka
Italiaanscausare
Maleismembangkitkan
Papiamentskousa
Poolspowodować; sprawiać
Portugeescausar; produzir; ser causa de
Russischвозбуждать
Saterfriesandwo; bewierkje; feranlasje; feruurseekje; touföigje
Spaanscausar; dar lugar a; instigar; maquinar; ocasionar; producir
Swahili‐tia
Thaisให้
Westerlauwers Friesferoarsaakje; oandeare
Zweedsföranleda; förorsaka; orsaka