Information about the word tellen (Dutch → Esperanto: kalkuli)

Pronunciation/ˈtɛlə(n)/
Hyphenationtel·len
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) tel(ik) telde
(jij) telt(jij) telde
(hij) telt(hij) telde
(wij) tellen(wij) telden
(gij) telt(gij) teldet
(zij) tellen(zij) telden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) telle(dat ik) telde
(dat jij) telle(dat jij) telde
(dat hij) telle(dat hij) telde
(dat wij) tellen(dat wij) telden
(dat gij) tellet(dat gij) teldet
(dat zij) tellen(dat zij) telden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
teltelt
Participles
Present participlePast participle
tellend, tellende(hebben) geteld

Usage samples

Heeft iemand de oorlogsschepen geteld?
Hij die vlucht telt iedere vijand voor twee, maar ik heb met dappere mannen gesproken en twijfel er niet aan dat de werkelijke sterkte van de vijand vele malen groter is dan die van ons.

Translations

Afrikaansbereken; reken
Catalancalcular; comptar
Czechpočítat
Danishberegne; kalkulere
Englishcount; number; reckon; tally
Esperantokalkuli
Finnishlaskea
Frenchcalculer; compter
Germanberechnen; erachten; kalkulieren; rechnen; ausrechnen; mitzählen; überschlagen; veranschlagen; zählen
Icelandicreikna
Italiancalcolare
Latincalculare
Norwegianregne
Papiamentokalkulá; rek
Polishliczyć
Portuguesecalcular; computar; orçar
Saterland Frisianbereekenje; kalkulierej; reekenje
Spanishcalcular; contar
Swedishberäkna; uträkna
West Frisianberekkenje; besiferje; rekkenje