Informatie over het woord imiteren (Nederlands → Esperanto: imiti)

Uitspraak/imiˈterə(n)/
Afbrekingi·mi·te·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) imiteer(ik) imiteerde
(jij) imiteert(jij) imiteerde
(hij) imiteert(hij) imiteerde
(wij) imiteren(wij) imiteerden
(gij) imiteert(gij) imiteerdet
(zij) imiteren(zij) imiteerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) imitere(dat ik) imiteerde
(dat jij) imitere(dat jij) imiteerde
(dat hij) imitere(dat hij) imiteerde
(dat wij) imiteren(dat wij) imiteerden
(dat gij) imiteret(dat gij) imiteerdet
(dat zij) imiteren(dat zij) imiteerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
imiteerimiteert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
imiterend, imiterende(hebben) geïmiteerd

Voorbeelden van gebruik

Wie had een koekoek geïmiteerd?
Weliswaar bleef de godin van de nacht niet altijd bij ons, maar wij konden haar aanwezigheid imiteren.

Vertalingen

Afrikaansagternadoen
Catalaansimitar
Deensefterligne
Duitsimitieren; kopieren; nachäffen; nachahmen; nachbilden; nachmachen; zum Vorbild nehmen
Engelsimitate
Esperantoimiti
Finsjäljitellä
Franscopier; imiter
Italiaansimitare
Maleistiru … meniru
Papiamentsimitá
Portugeescopiar; imitar
Roemeensimita
Saterfriesätteroapje; imitierje
Spaansimitar
Zweedsefterbilda; imitera