Informatie over het woord negéren (Nederlands → Esperanto: ignori)

Uitspraak/nəˈɣerə(n)/
Afbrekingne·ge·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) negeer(ik) negeerde
(jij) negeert(jij) negeerde
(hij) negeert(hij) negeerde
(wij) negeren(wij) negeerden
(gij) negeert(gij) negeerdet
(zij) negeren(zij) negeerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) negere(dat ik) negeerde
(dat jij) negere(dat jij) negeerde
(dat hij) negere(dat hij) negeerde
(dat wij) negeren(dat wij) negeerden
(dat gij) negeret(dat gij) negeerdet
(dat zij) negeren(dat zij) negeerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
negeernegeert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
negerend, negerende(hebben) genegeerd

Voorbeelden van gebruik

Maar kon het feit dat hij de inhoud van het telegram genegeerd had, betekenen dat hij van plan was nooit zijn geboorterecht op te eisen?
Het kwam niet in hem op de opdracht die hem gegeven was, te negeren.
Zwijgend nuttigde hij zijn avondmaal en negeerde de aanwezigheid van de anderen, die eindelijk waren begonnen te beseffen dat met Pardero niet alles helemaal in orde was.
Glawen negeerde het bord en begon te klimmen.