Informatie over het woord hebben (Nederlands → Esperanto: havi)

Uitspraak/ɦɛbə(n)/
Afbrekingheb·ben
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) heb(ik) had
(jij) hebt(jij) had
(hij) heeft(hij) had
(wij) hebben(wij) hadden
(gij) hebt(gij) hadt
(zij) hebben(zij) hadden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) hebbe(dat ik) hadde
(dat jij) hebbe(dat jij) hadde
(dat hij) hebbe(dat hij) hadde
(dat wij) hebben(dat wij) hadden
(dat gij) hebbet(dat gij) haddet
(dat zij) hebben(dat zij) hadden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
hebhebt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
hebbend, hebbende(hebben) gehad

Voorbeelden van gebruik

Ik heb geen dochter.
Weet je zeker dat je dit filigraan niet hebben wilt?
Hij had bezwaren.
En rasser nog, en rasser, als hadde hij de ruimte willen verslinden, stapte hij door.
Heb geen angst.
Hebt u soms geheime bronnen van inkomsten?
God hebbe zijn ziel.
Heb je hoofdpijn?
Ik wist niet dat ik vijanden had.
Gij hadt groot gelijk, Christien.
Jij hebt een mes, maar ik heb niets.
Hij moet toch ook een moeder hebben gehad.
Heeft u vragen of bijzondere wensen?

Vertalingen

Afrikaans
Berbersel; sɛu (ⴻⵍ??ⵙⵄⵓ)
Catalaanshaver; tenir
Deenshave
Duitsbesitzen; haben
Engelshave; have got
Engels (Oudengels)habban
Esperantohavi
Faeröershava
Finsomistaa
Fransavoir
IJslandshafa
Italiaansavere
Jiddischהאָבן
Latijnhabere
Luxemburgshunn
Maleisada
Noorsha
Papiamentstin
Poolsmieć
Portugeester
Roemeensavea
Saterfriesbesitte; hääbe
Spaanshaber; poseer; tener
Srananabi
Swahili‐na
Thaisมี
Tsjechischmít
Westerlauwers Friesha; hawwe
Zweedsha; hava