Information about the word zich haasten (Dutch → Esperanto: hasti)

Part of speechreflexive verb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) haast mij(ik) haastte mij
(jij) haast je(jij) haastte je
(hij) haast zich(hij) haastte zich
(wij) haasten ons(wij) haastten ons
(gij) haast u(gij) haasttet u
(zij) haasten zich(zij) haastten zich
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) mij haaste(dat ik) mij haastte
(dat jij) je haaste(dat jij) je haastte
(dat hij) zich haaste(dat hij) zich haastte
(dat wij) ons haasten(dat wij) ons haastten
(dat gij) u haastet(dat gij) u haasttet
(dat zij) zich haasten(dat zij) zich haastten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
haast jehaast je
Participles
Present participlePast participle
zich haastend, zich haastende(hebben) zich gehaast

Usage samples

Zonder zich te haasten en zonder te tonen dat hij op zijn hoede was, liep hij erheen.
Haast je dan, want veel langer kan ik ze niet tegenhouden.
Joost had nauwelijks de deur achter zich gesloten of er werd gebeld, en hij haastte zich om open te doen.