Informatie over het woord uitglijden (Nederlands → Esperanto: gliti)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) glij uit, glijd uit(ik) gleed uit
(jij) glijdt uit(jij) gleed uit
(hij) glijdt uit(hij) gleed uit
(wij) glijden uit(wij) gleden uit
(gij) glijdt uit(gij) gleedt uit
(zij) glijden uit(zij) gleden uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitglijde(dat ik) uitglede
(dat jij) uitglijde(dat jij) uitglede
(dat hij) uitglijde(dat hij) uitglede
(dat wij) uitglijden(dat wij) uitgleden
(dat gij) uitglijdet(dat gij) uitgledet
(dat zij) uitglijden(dat zij) uitgleden
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitglijdend, uitglijdende(zijn) uitgegleden

Vertalingen

Afrikaansgly
Catalaanslliscar; patinar; relliscar
Duitsgleiten; glitschen; rutschen; hingleiten; schlittern; schlüpfen
Engelsslide; slip
Esperantogliti
Faeröersaka; glíða; skreiða
Finsliukua
Fransglisser
Luxemburgsrëtschen
Portugeesdeslizar; escorregar
Roemeensaluneca
Saterfriesglidderje; gliede; glippe; glitskje; rutskje
Spaansdeslizarse; patinar; resbalar
Tsjechischdostat smyk; klouzat; sklouznout; uklouznout
Westerlauwers Friesglide; glydzje; gliere
Zweedsglida; slira