Informatie over het woord blasen (Duits → Esperanto: blovi)

Uitspraak/ˈblaːzən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) blase(ich) blies
(du) bläst(du) bliesest, bliest
(er) bläst(er) blies
(wir) blasen(wir) bliesen
(ihr) blast(ihr) bliest
(sie) blasen(sie) bliesen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) blase(ich) bliese
(du) blasest(du) bliesest
(er) blase(er) bliese
(wir) blasen(wir) bliesen
(ihr) blaset(ihr) blieset
(sie) blasen(sie) bliesen
Gebiedende wijs
(du) blase
(ihr) blast
blasen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
blasend(haben) geblasen

Vertalingen

Afrikaansblaas; waai
Catalaansbufar
Deensblæse
Engelsblow
Engels (Oudengels)ablawan; blawan
Esperantoblovi
Faeröersblása
Finspuhaltaa
Franssouffler
Hawaiaansulu; unu; pā; pahi; pā makani; papā
Hongaarsfúj
Italiaanssoffiare
Jiddischבלאָזן
Latijninflare
Luxemburgsblosen
Maleisembus … mengembus; meniup; tiup
Nederlandsblazen; waaien; blazen op
Noorsblåse
Papiamentsblas; supla
Poolsdmuchać
Portugeessoprar
Russischдуть
Saterfriesbloasje; waaie
Schots-Gaelischbeum; sèid
Spaanssoplar
Srananbro; wai
Thaisเป่า; พัด
Tsjechischfoukat
Westerlauwers Friesblaze
Zweedsblåsa