Informatie over het woord aanplakken (Nederlands → Esperanto: afiŝi)

Uitspraak/ˈamplɑkə(n)/
Afbrekingaan·plak·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) plak aan(ik) plakte aan
(jij) plakt aan(jij) plakte aan
(hij) plakt aan(hij) plakte aan
(wij) plakken aan(wij) plakten aan
(gij) plakt aan(gij) plaktet aan
(zij) plakken aan(zij) plakten aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aanplakke(dat ik) aanplakte
(dat jij) aanplakke(dat jij) aanplakte
(dat hij) aanplakke(dat hij) aanplakte
(dat wij) aanplakken(dat wij) aanplakten
(dat gij) aanplakket(dat gij) aanplaktet
(dat zij) aanplakken(dat zij) aanplakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
plak aanplakt aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanplakkend, aanplakkende(hebben) aangeplakt

Vertalingen

Afrikaansaanplak
Albaneesafishoj
Catalaansafixar cartells; anunciar per mitjà d’un cartell
Duitsaffichieren; anschlagen; einen Plakat anheften; einen Zettel anheften; ein Plakat anheften; ein Plakat ankleben; plakatieren
Engelsplacard; post; post up
Esperantoafiŝi
Fransafficher; placarder
Hongaarshirdet
Portugeesafixar; pregar cartazes
Saterfriesplakatierje
Westerlauwers Friesoanplakke
Zweedsaffischera