Informatie over het woord spoelen (Nederlands → Esperanto: gargari)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) spoel(ik) spoelde
(jij) spoelt(jij) spoelde
(hij) spoelt(hij) spoelde
(wij) spoelen(wij) spoelden
(gij) spoelt(gij) spoeldet
(zij) spoelen(zij) spoelden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) spoele(dat ik) spoelde
(dat jij) spoele(dat jij) spoelde
(dat hij) spoele(dat hij) spoelde
(dat wij) spoelen(dat wij) spoelden
(dat gij) spoelet(dat gij) spoeldet
(dat zij) spoelen(dat zij) spoelden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
spoelspoelt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
spoelend, spoelende(hebben) gespoeld

Vertalingen

Afrikaansafspoel; spoel
Catalaansgargaritzar
Deensskylle
Duitsabspülen; ausspülen; gurgeln; spülen
Engelsrinse
Esperantogargari
Faeröersskola; spula; surkla
Fransrincer
Portugeesbochechar; enxaguar; gargarejar
Saterfriesgurgelje; späile
Spaansgargarizar