Informatie over het woord gorgelen (Nederlands → Esperanto: gargari)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɣɔrɣələ(n)/
Afbrekinggor·ge·len

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) gorgel(ik) gorgelde
(jij) gorgelt(jij) gorgelde
(hij) gorgelt(hij) gorgelde
(wij) gorgelen(wij) gorgelden
(gij) gorgelt(gij) gorgeldet
(zij) gorgelen(zij) gorgelden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) gorgele(dat ik) gorgelde
(dat jij) gorgele(dat jij) gorgelde
(dat hij) gorgele(dat hij) gorgelde
(dat wij) gorgelen(dat wij) gorgelden
(dat gij) gorgelet(dat gij) gorgeldet
(dat zij) gorgelen(dat zij) gorgelden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
gorgelgorgelt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
gorgelend, gorgelende(hebben) gegorgeld

Vertalingen

Afrikaansafspoel; spoel
Catalaansgargaritzar
Deensskylle
Duitsabspülen; ausspülen; gurgeln; spülen
Engelsgargle
Esperantogargari
Faeröersskola; spula; surkla
Fransrincer
Portugeesbochechar; enxaguar; gargarejar
Saterfriesgurgelje; späile
Spaansgargarizar