Informatie over het woord bewaken (Nederlands → Esperanto: gardi)

Uitspraak/bəˈʋakə(n)/
Afbrekingbe·wa·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bewaak(ik) bewaakte
(jij) bewaakt(jij) bewaakte
(hij) bewaakt(hij) bewaakte
(wij) bewaken(wij) bewaakten
(gij) bewaakt(gij) bewaaktet
(zij) bewaken(zij) bewaakten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) bewake(dat ik) bewaakte
(dat jij) bewake(dat jij) bewaakte
(dat hij) bewake(dat hij) bewaakte
(dat wij) bewaken(dat wij) bewaakten
(dat gij) bewaket(dat gij) bewaaktet
(dat zij) bewaken(dat zij) bewaakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bewaakbewaakt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bewakend, bewakende(hebben) bewaakt

Voorbeelden van gebruik

De poort werd bewaakt door een tweetal grijze leeuwen, tweemaal zo groot als een gewone leeuw.
Het was de hond die de tuin bewaakte, en hij was dood.
Slechts Bofur en Bombur bleven achter om de pony’s en de proviand die zij van de rivier hadden meegenomen te bewaken.

Vertalingen

Catalaansguardar
Deenspasse
Duitsbeaufsichtigen; behüten; beschützen; bewachen; bewahren; hüten; im Zaum halten; überwachen; wachen über; wahren
Engelsguard; keep; watch; watch over
Esperantogardi
Faeröersansa eftir; verja
Finsvartioida
Fransgarder; protéger
Papiamentsvigilá
Portugeesguardar; velar; vigiar
Saterfriesbewoakje; woarje
Spaanscustodiar; guardar
Srananwakti
Westerlauwers Friesbeweitsje
Zweedsvakta