Informatie over het woord beunhazen (Nederlands → Esperanto: fuŝi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈbønɦazə(n)/
Afbrekingbeun·ha·zen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) beunhaas(ik) beunhaasde
(jij) beunhaast(jij) beunhaasde
(hij) beunhaast(hij) beunhaasde
(wij) beunhazen(wij) beunhaasden
(gij) beunhaast(gij) beunhaasdet
(zij) beunhazen(zij) beunhaasden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) beunhaze(dat ik) beunhaasde
(dat jij) beunhaze(dat jij) beunhaasde
(dat hij) beunhaze(dat hij) beunhaasde
(dat wij) beunhazen(dat wij) beunhaasden
(dat gij) beunhazet(dat gij) beunhaasdet
(dat zij) beunhazen(dat zij) beunhaasden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
beunhaasbeunhaast
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
beunhazend, beunhazende(hebben) gebeunhaasd

Vertalingen

Catalaansadobassar; pastifejar; potinejar
Duitspfuschen; verpfuschen; verhunzen; verderben
Engelsball; blow; blunder; botch; bungle; flub; screw up; spoil; foozle
Esperantofuŝi
Faeröersbongla; fesja; klombra
Finshutiloida
Fransgâcher
Portugeesborrar; fazer às pressas; trabalhar mal
Saterfriesfuchelje; fuddelje; fuskje; kwaksalwerje; ruusje
Spaanschafallar; chapucear
Turksazdırmak