Informatie over het woord uitschuren (Nederlands → Esperanto: frotpurigi)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schuur uit(ik) schuurde uit
(jij) schuurt uit(jij) schuurde uit
(hij) schuurt uit(hij) schuurde uit
(wij) schuren uit(wij) schuurden uit
(gij) schuurt uit(gij) schuurdet uit
(zij) schuren uit(zij) schuurden uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitschure(dat ik) uitschuurde
(dat jij) uitschure(dat jij) uitschuurde
(dat hij) uitschure(dat hij) uitschuurde
(dat wij) uitschuren(dat wij) uitschuurden
(dat gij) uitschuret(dat gij) uitschuurdet
(dat zij) uitschuren(dat zij) uitschuurden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schuur uitschuurt uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitschurend, uitschurende(hebben) uitgeschuurd

Vertalingen

Engelsrub
Esperantofrotpurigi
Fransrécurer
Spaansfrotar