Informatie over het woord opvallen (Nederlands → Esperanto: frapi)

Uitspraak/ˈɔpfɑlə(n)/
Afbrekingop·val·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) val op(ik) viel op
(jij) valt op(jij) viel op
(hij) valt op(hij) viel op
(wij) vallen op(wij) vielen op
(gij) valt op(gij) vielt op
(zij) vallen op(zij) vielen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opvalle(dat ik) opviele
(dat jij) opvalle(dat jij) opviele
(dat hij) opvalle(dat hij) opviele
(dat wij) opvallen(dat wij) opvielen
(dat gij) opvallet(dat gij) opvielet
(dat zij) opvallen(dat zij) opvielen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opvallend, opvallende(zijn) opgevallen

Voorbeelden van gebruik

Eén ding viel haar direct op.

Vertalingen

Afrikaansklap; klop
Catalaanscolpir; percudir; picar; repicar; sorprendre; trucar; tustar; xocar
Deensbanke
Duitsauffallen; aufschlagen; befallen; branden; frappieren; heimsuchen; klopfen; kommen über; pochen; schlagen; stutzig machen
Engelsstrike
Esperantofrapi
Faeröersbanka
Finsiskeä
Fransfrapper; heurter
Italiaansbussare; colpire; picchiare
Poolspukać; uderzać
Portugeesbater; golpear; percutir
Saterfriesklopje; rammelje; slo
Spaanschocar; golpear; percutir; sorprender
Zweedsknacka