Informatie over het woord travel (Engels → Esperanto: veturi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈtɹævl/
Afbrekingtrav·el

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) travel(I) travelled
(thou) travellest(thou) travelledst
(he) travels, travelleth(he) travelled
(we) travel(we) travelled
(you) travel(you) travelled
(they) travel(they) travelled
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) travel (I) travelled
(thou) travel(thou) travelled
(he) travel(he) travelled
(we) travel(we) travelled
(you) travel(you) travelled
(they) travel(they) travelled
Gebiedende wijs
travel
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
travellingtravelled

Vertalingen

Afrikaansry; vaar
Catalaansanar; circular; viatjar
Deensfare; køre
Duitsfahren
Esperantoveturi
Finsajaa
Fransaller; aller en véhicule; se déplacer
Hongaarsutazik
Italiaanscamminare
Jiddischפֿאָרן
Latijnvehere
Nederlandsgaan; rijden
Noorskjøre
Poolsjechać
Portugeesandar; ir; rodar; viajar
Saterfriesfiere; gunge
Spaansir; ir en vehículo
Turksgitmek
Westerlauwers Friesfarre; gean
Zweedsfara; åka