Informatie over het woord ablehnen (Duits → Esperanto: malakcepti)

Uitspraak/ˈapleːnən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) ablehne (ich) ablehnte
(du) ablehnst (du) ablehntest
(er) ablehnt (er) ablehnte
(wir) ablehnen (wir) ablehnten
(ihr) ablehnt (ihr) ablehntet
(sie) ablehnen (sie) ablehnten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) ablehne (ich) ablehnte
(du) ablehnest (du) ablehntest
(er) ablehne (er) ablehnte
(wir) ablehnen (wir) ablehnten
(ihr) ablehnet (ihr) ablehntet
(sie) ablehnen (sie) ablehnten
Gebiedende wijs
(du) lehne ab
(ihr) ablehnt
ablehnen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
ablehnend(haben) abgelehnt

Vertalingen

Afrikaansafslaan; afwimpel; afwys; bedank; verwerp
Catalaansrefusar
Deensafslå; afvise; sige nej tak til
Engelsreject; decline
Esperantomalakcepti
Fransrefuser; rejeter; repousser
IJslandsafþakka
Italiaansrifiutare
Nederlandsafslaan; afwijzen; nee zeggen tegen; verwerpen; weigeren; wraken
Noorstakke nei til
Portugeesrecusar; rejeitar
Saterfriesfersmiete; ouwiese; ouwimmelje
Spaansrechazar; rehusar; suspender
Westerlauwers Friesôfkitse; ôfslaan; ôfstegerje; ôfwize
Zweedstacka nej till