Informatie over het woord uitmaken (Nederlands → Esperanto: forigi)

Uitspraak/ˈœʏ̯tmakə(n)/
Afbrekinguit·ma·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) maak uit(ik) maakte uit
(jij) maakt uit(jij) maakte uit
(hij) maakt uit(hij) maakte uit
(wij) maken uit(wij) maakten uit
(gij) maakt uit(gij) maaktet uit
(zij) maken uit(zij) maakten uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitmake(dat ik) uitmaakte
(dat jij) uitmake(dat jij) uitmaakte
(dat hij) uitmake(dat hij) uitmaakte
(dat wij) uitmaken(dat wij) uitmaakten
(dat gij) uitmaket(dat gij) uitmaaktet
(dat zij) uitmaken(dat zij) uitmaakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maak uitmaakt uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitmakend, uitmakende(hebben) uitgemaakt

Vertalingen

Afrikaansafruim; afskaf
Deensafskaffe; fjerne
Duitsabschaffen; aus dem Wege schaffen; beseitigen; entfernen; fortschaffen; wegbringen
Engelsdelete; dispense with; do away with; get rid of; remove; rid; scrap; abolish
Esperantoforigi
Faeröersbeina burtur
Fransôter; supprimer
Italiaansabolire
Latijnrelegare
Portugeesafastar; banir
Roemeensîndepărta; înlătura
Saterfriesouschafje; ouskafje; wächbrange; wächhoalje
Spaanseliminar
Turksayrılmak
Westerlauwers Friesôfskaffe; ôftankje