Informatie over het woord lopen (Nederlands → Esperanto: flui)

Uitspraak/ˈlopə(n)/
Afbrekinglo·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) loop(ik) liep
(jij) loopt(jij) liep
(hij) loopt(hij) liep
(wij) lopen(wij) liepen
(gij) loopt(gij) liept
(zij) lopen(zij) liepen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) lope(dat ik) liepe
(dat jij) lope(dat jij) liepe
(dat hij) lope(dat hij) liepe
(dat wij) lopen(dat wij) liepen
(dat gij) lopet(dat gij) liepet
(dat zij) lopen(dat zij) liepen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
lopend, lopende(hebben) gelopen

Voorbeelden van gebruik

Met zijn hand veegde hij het zweet van zijn voorhoofd dat in zijn ogen liep.

Vertalingen

Afrikaansloop; stroom; vloei
Catalaansfluir
Deensflyde
Duitsfließen; rinnen; strömen
Engelsrun
Engels (Oudengels)flowan
Esperantoflui
Faeröersflóta; reka; renna; streyma
Finsvirrata
Franscouler
Hawaiaanskahe
Italiaansfluire; scorrere
Jiddischלויפֿן; פֿליסן; שטראָמען
Latijnfluere
Luxemburgsfléissen
Maleisalir … mengalir; alir; alur; mengalir; salir; salur
Noorsflomme; flyte; renne; strømme
Poolspłynąć
Portugeescorrer; fluir
Roemeenscurge; se vărsa
Russischтечь
Saterfriesfljoote; flouje; strieke
Schots-Gaelischruith
Spaansfluir; manar
Srananlon
Tsjechischtéci
Turksakmak
Westerlauwers Friesfloeie
Zweedsrinna; strömma