Informatie over het woord dobberen (Nederlands → Esperanto: flosi)

Uitspraak/ˈdɔbərə(n)/
Afbrekingdob·be·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) dobber(ik) dobberde
(jij) dobbert(jij) dobberde
(hij) dobbert(hij) dobberde
(wij) dobberen(wij) dobberden
(gij) dobbert(gij) dobberdet
(zij) dobberen(zij) dobberden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) dobbere(dat ik) dobberde
(dat jij) dobbere(dat jij) dobberde
(dat hij) dobbere(dat hij) dobberde
(dat wij) dobberen(dat wij) dobberden
(dat gij) dobberet(dat gij) dobberdet
(dat zij) dobberen(dat zij) dobberden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
dobberdobbert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
dobberend, dobberende(hebben) gedobberd

Voorbeelden van gebruik

Doch de rechter bleef wanhopig lang tussen dood en leven dobberen en werd ten slotte aan de betere hand en daarna voor hersteld verklaard.

Vertalingen

Afrikaansdryf
Catalaansflotar; surar
Duitsobenauf schwimmen; treiben
Engelsfloat
Engels (Oudengels)flotian
Esperantoflosi
Faeröersflóta
Finskellua
Fransflotter
Hawaiaanslana; lanalana
Latijnfluctuare
Luxemburgsschwammen
Maleisapung; mengapung
Noorsflyte
Papiamentsdrif
Poolspływać
Portugeesboiar; flutuar
Russischплыть
Schots-Gaelischbi a’ fleòdradh
Spaansflotar; sobrenadar
Sranandribi; drifi
Westerlauwers Friesdriuwe
Zweedsflyta