Informatie over het woord suck (Engels → Esperanto: suĉi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/sɐk/
Afbrekingsuck

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) suck(I) sucked
(thou) suckest(thou) suckedst
(he) sucks, sucketh(he) sucked
(we) suck(we) sucked
(you) suck(you) sucked
(they) suck(they) sucked
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) suck (I) sucked
(thou) suck(thou) sucked
(he) suck(he) sucked
(we) suck(we) sucked
(you) suck(you) sucked
(they) suck(they) sucked
Gebiedende wijs
suck
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
suckingsucked

Vertalingen

Catalaansmamar; xuclar
Deenssuge
Duitslutschen; saugen
Esperantosuĉi
Faeröerssúgva
Finsimeä
Franssucer
Italiaanssucchiare
Jiddischזויגן
Latijnsugere
Luxemburgssuckelen
Maleishisap; menghisap
Nederlandslurken; zuigen
Noorssuge
Papiamentschupa
Poolsssać
Portugeeschupar; libar; mamar; sugar
Russischсосать
Saterfriessaabje; suge
Schots-Gaelischsùigh
Spaanschupar
Sranansoigi
Thaisดูด
Tsjechischsát
Westerlauwers Friessûchje
Zweedssuga