Informatie over het woord stretch (Engels → Esperanto: streĉi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/stɹɛtʃ/
Afbrekingstretch

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) stretch(I) stretched
(thou) stretchest(thou) stretchedst
(he) stretches, stretcheth(he) stretched
(we) stretch(we) stretched
(you) stretch(you) stretched
(they) stretch(they) stretched
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(I) stretch (I) stretched
(thou) stretch(thou) stretched
(he) stretch(he) stretched
(we) stretch(we) stretched
(you) stretch(you) stretched
(they) stretch(they) stretched
Gebiedende wijs
stretch
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
stretchingstretched

Voorbeelden van gebruik

She stretched her arms, tucked her hands behind her head and lay thinking.

Vertalingen

Afrikaansopwen; uitrek
Catalaansblegar; estirar; flectir; prèmer; tesar; tibar
Deenstrække op
Duitsanspannen; anziehen; aufziehen; ausspannen; spannen; straffen
Esperantostreĉi
Faeröersspenna; toyggja
Finsjännittää
Fransbander; raidir; remonter; serrer; tendre
Italiaanscaricare
Nederlandsspannen; uitrekken
Poolsnapinać
Portugeesapertar; armar; dar corda; engatilhar; entesar; esticar; retesar
Saterfriesanhiesje; diene; räkke; sponne; sträkke; uutdiene; uuträkke
Spaansamartillar; atirantar; dar cuerda; tensar