Informatie over het woord beëindigen (Nederlands → Esperanto: fini)

Uitspraak/bəɛɪ̯ndəɣə(n)/
Afbrekingbe·ein·di·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) beëindig(ik) beëindigde
(jij) beëindigt(jij) beëindigde
(hij) beëindigt(hij) beëindigde
(wij) beëindigen(wij) beëindigden
(gij) beëindigt(gij) beëindigdet
(zij) beëindigen(zij) beëindigden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) beëindige(dat ik) beëindigde
(dat jij) beëindige(dat jij) beëindigde
(dat hij) beëindige(dat hij) beëindigde
(dat wij) beëindigen(dat wij) beëindigden
(dat gij) beëindiget(dat gij) beëindigdet
(dat zij) beëindigen(dat zij) beëindigden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
beëindigbeëindigt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
beëindigend, beëindigende(hebben) beëindigd

Voorbeelden van gebruik

De dorpelingen hadden hun tocht inmiddels beëindigd.
Toen ze haar gebed beëindigde, liet ze voor het eerst haar ogen op Tarzan rusten.

Vertalingen

Afrikaansafsluit; beëindig; eindig; ’n ent maak aan
Catalaansacabar; finir; terminar
Deensfuldende
Duitsabschließen; beenden; beendigen; beschließen; einstellen; enden; endigen; erledigen; schließen; vollenden
Engelsconclude; finish; terminate; bring to an end
Esperantofini
Faeröersenda
Finslopetta
Franscesser; finir; terminer
Italiaansfinire; terminare
Papiamentsfinalisá; kaba; terminá
Poolskończyć
Portugeesacabar; encerrar; finalizar; terminar
Roemeenstermina
Saterfriesbe‐eendje; besluute; eendigje; eendje; oumoakje
Spaansacabar; terminar
Thaisจบ; เสร็จ
Turksbitirmek
Westerlauwers Friesbesljochtsje; dien meitsje; ôfmeitsje
Zweedsfullborda; ända