Informatie over het woord vaststellen (Nederlands → Esperanto: fiksi)

Uitspraak/ˈvɑstɛlə(n)/
Afbrekingvast·stel·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) stel vast(ik) stelde vast
(jij) stelt vast(jij) stelde vast
(hij) stelt vast(hij) stelde vast
(wij) stellen vast(wij) stelden vast
(gij) stelt vast(gij) steldet vast
(zij) stellen vast(zij) stelden vast
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) vaststelle(dat ik) vaststelde
(dat jij) vaststelle(dat jij) vaststelde
(dat hij) vaststelle(dat hij) vaststelde
(dat wij) vaststellen(dat wij) vaststelden
(dat gij) vaststellet(dat gij) vaststeldet
(dat zij) vaststellen(dat zij) vaststelden
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
vaststellend, vaststellende(hebben) vastgesteld

Voorbeelden van gebruik

Om u de waarheid te zeggen, heb ik er nog geen prijs voor vastgesteld.
De datum van vertrek werd ten slotte vastgesteld.

Vertalingen

Afrikaansbepaal; vasmaak; vasstel
Catalaansfixar
Deensbefæste; fastsætte
Duitsabstecken; anbringen; anstecken; aufspannen; aufstecken; aufstellen; befestigen; bestimmen; einspannen; festmachen; festsetzen; festspannen; fixieren; verankern
Engelsappoint; determine; fix; set
Esperantofiksi
Faeröersfesta
Finskiinnittää
Fransattacher; fixer
Italiaansfissare
Poolsumocować; ustalić
Portugeesaprazar; cravar; determinar; fixar
Roemeensasigura; fixa
Saterfriesbefäästigje; fäästmoakje; fäästsätte; feronkerje; fixierje
Spaansfijar
Thaisติด; ใส่
Tsjechischfixovat; připevnit; upevnit
Westerlauwers Friesfêstdwaan
Zweedsbefästa; fästa