Information about the word fixeren (Dutch → Esperanto: fiksi)

Pronunciation/fɪkˈserə(n)/
Hyphenationfixe·ren
Part of speechverb

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) fixeer(ik) fixeerde
(jij) fixeert(jij) fixeerde
(hij) fixeert(hij) fixeerde
(wij) fixeren(wij) fixeerden
(gij) fixeert(gij) fixeerdet
(zij) fixeren(zij) fixeerden
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) fixere(dat ik) fixeerde
(dat jij) fixere(dat jij) fixeerde
(dat hij) fixere(dat hij) fixeerde
(dat wij) fixeren(dat wij) fixeerden
(dat gij) fixeret(dat gij) fixeerdet
(dat zij) fixeren(dat zij) fixeerden
Imperative mood
Singular/PluralPlural
fixeerfixeert
Participles
Present participlePast participle
fixerend, fixerende(hebben) gefixeerd

Translations

Afrikaansbepaal; vasmaak; vasstel
Catalanfixar
Czechfixovat; připevnit; upevnit
Danishbefæste; fastsætte
Englishfix
Esperantofiksi
Faeroesefesta
Finnishkiinnittää
Frenchattacher; fixer
Germanabstecken; anbringen; anstecken; aufspannen; aufstecken; aufstellen; befestigen; bestimmen; einspannen; festmachen; festsetzen; festspannen; fixieren; verankern
Italianfissare
Polishumocować; ustalić
Portugueseaprazar; cravar; determinar; fixar
Romanianasigura; fixa
Saterland Frisianbefäästigje; fäästmoakje; fäästsätte; feronkerje; fixierje
Spanishfijar
Swedishbefästa; fästa
Thaiติด; ใส่
West Frisianfêstdwaan