Informatie over het woord naaien (Nederlands → Esperanto: fiki)

Uitspraak/ˈnajə(n)/
Afbrekingnaai·en
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) naai(ik) naaide
(jij) naait(jij) naaide
(hij) naait(hij) naaide
(wij) naaien(wij) naaiden
(gij) naait(gij) naaidet
(zij) naaien(zij) naaiden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) naaie(dat ik) naaide
(dat jij) naaie(dat jij) naaide
(dat hij) naaie(dat hij) naaide
(dat wij) naaien(dat wij) naaiden
(dat gij) naaiet(dat gij) naaidet
(dat zij) naaien(dat zij) naaiden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
naainaait
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
naaiend, naaiende(hebben) genaaid

Vertalingen

Afrikaansneuk; naai
Catalaansfer l’amor; follar
Duitsficken
Engelsfuck; screw; shag
Esperantofiki
Faeröershava samlegu við
Fransbaiser; foutre
Papiamentshunga; kohe; koi; kue; limpia
Portugeescoitar; copular; transar