Ynformaasje oer it wurd doen (Nederlânsk → Esperanto: fari)

Utspraak/dun/
Ofbrekingdoen
Wurdsoartetiidwurd

Ferfoarming

Oantoanende foarm
NotiidDoetiid
(ik) doe(ik) deed
(jij) doet(jij) deed
(hij) doet(hij) deed
(wij) doen(wij) deden
(gij) doet(gij) deedt
(zij) doen(zij) deden
Oanfoegjende foarm
NotiidDoetiid
(dat ik) doe(dat ik) dede
(dat jij) doe(dat jij) dede
(dat hij) doe(dat hij) dede
(dat wij) doen(dat wij) deden
(dat gij) doet(dat gij) dedet
(dat zij) doen(dat zij) deden
hjittende foarm
Iental/MeartalMeartal
doedoet
Mulwurden
NomulwurdDoemulwurd
doend, doende(hebben) gedaan

Foarbylden fan gebrûk

Wat nu te doen?
Wat doet de overheid?
Ik kon niet meer doen dan ik gedaan heb.
Er moet iets gedaan worden!
Als iemand zoiets doet, vraagt hij om moeilijkheden.
Woorden verspillen deed hij nooit.
Maar dat doe ik niet.
Dat zul je nou een hond nooit zien doen.
Aanvankelijk verrichtte de assistent zijn bezigheden met grote tegenzin, maar al doende begon hij er aardigheid in te krijgen.

Oarsettingen

מאַכן
Afrikaanskbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Deenskaflægge; gøre; lave
Dútskabhalten; abstatten; anfertigen; ausführen; begehen; bereiten; bewirken; erledigen; erschaffen; erzeugen; geben; halten; herstellen; hervorbringen; machen; schließen; schneiden; stellen; tun; unterbreiten; verrichten
Esperantofari
Fereuerskgera
Finsktehdä
Frânskconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Fryskdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Hawaïaanskhana
Hongaarskesinál; tesz
Ingelskact; do; make; work
Ingelsk (Aldingesk)macian; don
Yslânskgera
Italjaanskcommettere; fare
Katalaanskfer
Latynfacere
Lúksemboarchskmaachen; doen
Maleiskbuat; membuat
Noarskgjøre
Papiamintskhasi
Poalskczynić; robić
Portegeeskcometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeenskface
Russyskделать; сделать
Sealterfryskdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Skotsk-Geliskdèan
Spaanskhacer
Surinaamskdu; meki
Swahili‐fanya
Sweedskgöra
Taiskต่อ; ทำ
Tsjechyskčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksketmek; yapmak