Informatie over het woord aanmaken (Nederlands → Esperanto: fari)

Uitspraak/ˈamakə(n/
Afbrekingaan·ma·ken
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) maak aan(ik) maakte aan
(jij) maakt aan(jij) maakte aan
(hij) maakt aan(hij) maakte aan
(wij) maken aan(wij) maakten aan
(gij) maakt aan(gij) maaktet aan
(zij) maken aan(zij) maakten aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aanmake(dat ik) aanmaakte
(dat jij) aanmake(dat jij) aanmaakte
(dat hij) aanmake(dat hij) aanmaakte
(dat wij) aanmaken(dat wij) aanmaakten
(dat gij) aanmaket(dat gij) aanmaaktet
(dat zij) aanmaken(dat zij) aanmaakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maak aanmaakt aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanmakend, aanmakende(hebben) aangemaakt

Voorbeelden van gebruik

Hij greep de walmende schaal waarin Pieps zijn mengsel had aangemaakt en snelde er driftig mee naar het open venster.

Vertalingen

Afrikaansbedryf; bedrywe; begaan; doen; maak; pleeg; verrig; vervaardig
Catalaansfer
Deensaflægge; gøre; lave
Duitsabhalten; abstatten; anfertigen; ausführen; begehen; bereiten; bewirken; erledigen; erschaffen; erzeugen; geben; halten; herstellen; hervorbringen; machen; schließen; schneiden; stellen; tun; unterbreiten; verrichten
Engelsmake
Engels (Oudengels)macian; don
Esperantofari
Faeröersgera
Finstehdä
Fransconstruire; fabriquer; faire; opérer; poser
Hawaiaanshana
Hongaarsesinál; tesz
IJslandsgera
Italiaanscommettere; fare
Jiddischמאַכן
Latijnfacere
Luxemburgsmaachen; doen
Maleisbuat; membuat
Noorsgjøre
Papiamentshasi
Poolsczynić; robić
Portugeescometer; confeccionar; executar; fazer; formar
Roemeensface
Russischделать; сделать
Saterfriesdwo; fabriksierje; häärstaale; moakje; produksierje
Schots-Gaelischdèan
Spaanshacer
Sranandu; meki
Swahili‐fanya
Thaisต่อ; ทำ
Tsjechischčinit; dělat; konat; učinit; udělat; vykonat
Turksetmek; yapmak
Westerlauwers Friesdwaan; dwaen; oanmeitsje; meitsje
Zweedsgöra